Het Boerenbelevingspad

Krimpenerwaard
Zo’n duizend jaar geleden was de Krimpenerwaard een veenwildernis met getijdenbossen langs de rivieren Hollandse IJssel en de Lek. Toen de eerste kolonisten zich in deze streek waagden, troffen ze een uitgestrekt moerasbos aan met vooral elzen, wilgen en essen. Om het gebied bewoonbaar te maken, zetten de boeren loodrecht op de Hollandse Ijssel, kavels met greppels (later sloten). Doordat het land toen nog hoger lag dan de rivieren, was er sprake van een natuurlijke afwatering. Ze gebruikten het land aanvankelijk als akkerland, maar daar werd het snel te nat voor. Door de ontwatering klonk het veen in en zakte het gebied na verloop van tijd onder de waterstand van de rivieren. Om geen natte voeten te krijgen werden de eerste dijken aangelegd en deden de watermolens hun intrede. De boeren namen het land vervolgens in gebruik als weide- en hooiland, en zo is het vandaag nog altijd.
Klik op de bolletjes voor uitleg.



A. De boerderij van de familie Verkaik (Kattendijk 129) is rond 1800 gebouwd en alle onderdelen van de traditionele indeling van het boerenerf zijn nog te herkennen. Vele inheemse planten- en bloemsoorten sieren het erf. Op deze boerderij wordt nog volop geboerd.

B. De boerderij van de familie Van der Vliet (Kattendijk 131) is uit agrarisch gebruik. Momenteel wordt de boerderij gerestaureerd, waarbij foto´s uit 1930 van de boerderij het uitgangspunt zijn. Naast herstel van de cultuurhistorische waarde wordt er ook veel aandacht besteed aan duurzame energie zoals zonne-energie en aardwarmte.

C. Dit geldt ook voor de boerderij van de familie Blanken (Kattendijk 139). Deze boerderij is prachtig gelegen langs de Waal. De ontginningsgeschiedenis kan, aan de hand van dit open water en de aanwezigheid van een veenputje en een eendenkooi, prachtig verteld worden. Beide families doen aan weidevogel- en slootkantenbeheer.

Het boerenerf
De traditionele indeling van het erf kende een ‘voor en achter’. Het voorerf met het woonhuis, boenhok, de boomgaard en de moes- en bloementuin was het domein van de vrouw. Het vormde een besloten geheel en het onderhoud van het erf was intensief. Het achtererf met de stallen, schuren, hooibergen, windsingels en geriefhoutbosjes was het domein van de man. Dit deel had een directe relatie met het omringende land en het onderhoud was extensief. Deze indeling is op de boerderijen van Verkaik en Blanken nog steeds terug te vinden.

D. Waal (ook wel wiel genoemd)
Door de eeuwen hebben de bewoners van de Krimpenerwaard vaak te maken gehad met rivieroverstromingen. Deze vele dijkdoorbraakgaten worden wielen of walen genoemd en zijn te herkennen aan een binnendijks water in een ronde vorm. Deze gaten waren veelal te groot om te dichten. Men loste het probleem op door een nieuwe dijk ervoor te maken.



E. Veenputje
Dat veen (turf) gebruikt kan worden als brandstof was al heel lang bekend. Plinius, een Romeins geschiedschrijver, schreef in de eerste eeuw na Christus dat er in de lage landen een volk leefden op de grens van water en land, die zich verwarmden met kluiten aarde die ze eerst lieten drogen door de wind en zon.
Er heeft geen grootscheepse vervening, zoals in het gebied ten westen van Gouda (ontstaan Zuidplaspolder) en ten oosten (ontstaan Reeuwijkse Plassen), in de Krimpenerwaard plaatsgevonden. Men heeft dat overigens wel geprobeerd: in 1782 werd bij de Staten van Holland hiervoor een octrooi aangevraagd. In 1800 waren alle voorzieningen getroffen om de veenderij te beginnen. De kwaliteit van het veen viel echter behoorlijk tegen, wat ertoe leiden dat de hele onderneming gestopt werd. Het winnen van turf voor eigen gebruik ging nog wel door tot 1950 met een piek tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dit veenputje is daar een voorbeeld van.

F. De schouw
Tot een halve eeuw geleden was de schouw nog het belangrijkste vaartuig van deze polder. Hij werd gebruikt voor vervoer over water van melk, mest en hooi. Het boerenland was moeilijk begaanbaar en de landweggetjes modderig. Nu kan men vanuit de schouw genieten van de kruidige slootkanten, de vele weidevogels en de grazende koeien. Dit is onthaasten op zijn best.



G. Geriefhout/Pestbosje
Er werd vroeger veel hout gebruikt op de boerderij; om het fornuis en de haard te stoken, om hekken en afrastering te maken, voor klompen en voor bonenstaken en voor steunhout in de boerentuin. Om in deze behoefte te kunnen voorzien werden er geriefhoutbosjes aangelegd, meestal op grens van de wei en het erf. Een bosje middenin de polder duidt op een pestbosje. Hier werden de dode dieren begraven.

H. Eendenkooi
Vroeger werden wilde eenden met hulp van tamme eenden naar eendenkooien gelokt. De kooiker en zijn hondje zorgden er vervolgens voor dat de wilde eenden in een vangpijp kwamen. Eenmaal in de vangpijp was er geen ontkomen meer aan. De eenden kwamen als eendenbouten op tafel te staan. De wilde eenden worden nog steeds op deze wijze gevangen, alleen nu worden ze geringd t.b.v. onderzoek. In de polder Kattendijksblok is ook een kleine eendenkooi. Deze eendenkooi is niet meer in gebruik.

I. Tiendwegen
De Krimpenerwaard kent vele tiendwegen. Ze staan haaks op de percelen en zijn aangelegd bij de ontginning van het gebied. Over de afkomst van de naam gaan meerdere verhalen. Zo zouden pachters vroeger een tiende deel van de opbrengst aan hun landheer moeten afdragen. Een andere verhaal is dat het komt van het woord ‘tijen’ ofwel trekken. Vroeger trokken de bewoners hier schouwen.